De leerstoel ‘Management of Engineering Projects’ aan de TU Delft biedt voor het derde jaar op rij de minor ‘Project Management’ aan. Vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven delen hun praktijkkennis met de studenten. Ook Siemens verzorgt twee gastcolleges.

De minor is een initiatief van prof. dr. Hans Bakker en wordt begeleid door gastlector Evert Kroes. Het programma richt zich tot derdejaarsstudenten Civiele Techniek, Werktuigbouwkunde, Technische Bestuurskunde, Lucht- en Ruimtevaart en Mijnbouw. De studenten volgen in het eerste en tweede kwartaal van het studiejaar vier colleges waarin de theorie van projectmanagement, integratie en samenwerking, projectfinanciering en fit for purpose-projectmanagement wordt behandeld. Vervolgens geven vertegenwoordigers uit verschillende industriële sectoren een gastcollege. Per gastcollege vertellen een opdrachtgever en een contractor over de do’s en dont’s van hun gezamenlijke project.

Wat is het nut van de gastcolleges?

Bakker en Kroes: ‘In het theoriecollege van fit for purpose-projectmanagement stellen onze studenten hypothesen op. Ze moeten deze toetsen door tijdens de gastcolleges vragen te stellen. Op die manier leren ze van mensen uit de praktijk. Na het laatste gastcollege schrijven de studenten in groep een verslag waarin ze uitleggen of hun hypothesen al dan niet kloppen. Ze demonstreren hiermee dat ze hun theoriekennis hebben getest en dat ze zelf een oordeel kunnen vormen over hoe je het projectmanagement aanpast aan de omgeving waarmee je te maken krijgt.’

Heeft de projectomgeving een grote invloed op het project?

Kroes: ‘Met name op grote projecten liggen de problemen vaker in de stakeholderssfeer dan in de techniek. Als ingenieurs kunnen we mooie oplossingen bedenken, maar we moeten ze zó implementeren dat de omgeving er geen of nauwelijks last van heeft. De aanleg van de Noord/Zuidlijn laat zien hoe complex dit is. In de Vijzelgracht zagen omwonenden hun huizen verzakken. Ze zaten met allerlei vragen over hun eigen veiligheid en die van hun bezittingen. De projectorganisatie heeft hen heel intensief betrokken bij de monitoring en schadeafhandeling. Hierdoor verdween de grootste druk van de ketel. We zien een soortgelijke ontwikkeling bij de gaswinning in Groningen, maar daar heeft het nog niet geleid tot een structurele oplossing. De situatie is er ook anders: ook al stopt men per direct met de gaswinning, dan nog zal het gebied jarenlang verder zakken. Misschien moeten de NAM en de overheid eens met het projectteam van de Noord/Zuidlijn praten over hoe men het daar heeft aangepakt.’

Welke lessen trekt u nog meer uit de gastcolleges?

‘Dat de duivel in de details zit. De grootste uitdagingen zitten over het algemeen in de laatste vijf procent van de projectscope. Dán moet je bewijzen dat de dingen die je bedacht hebt werken in de praktijk. Daar kruipt veel meer dan vijf procent van de totale projecttijd in en het wordt altijd onderschat. Er zijn voorbeelden te over in Nederland. Zo is Siemens als bouwer van de centrale besturing pas laat ingestapt in het project Noord/Zuidlijn. Op dat moment waren de leveranciers van de subsystemen waarmee de software van Siemens moet interfacen al jaren aan het bouwen. In de tussentijd waren de technologische mogelijkheden en specificaties veranderd.’

Hoe kunnen we dit voorkomen?

‘Allereerst door mensen bewust te maken van het feit dat het werk niet af is als het geïnstalleerd is, maar pas als het werkt. Ook de integratie van contractors vanaf de ontwerpfase is belangrijk. Als onze studenten dát meenemen uit de colleges hebben ze een enorme stap gemaakt. We hopen dat die boodschap beklijft.’

De studenten werken hun verslag uit in interdisciplinaire groepen.

‘We stellen teams samen waarin alle studierichtingen vertegenwoordigd zijn. Over de personele invulling mogen de studenten zelf beslissen. Helaas leidt dit niet altijd tot gevarieerde teams. Technisch geschoolde vrouwen kijken vaak anders tegen een project aan dan hun mannelijke collega’s. Het gaat hen minder om de techniek en meer om de mensen voor wie de techniek bedoeld is. Variatie binnen het projectteam kan dan ook heel nuttig zijn voor het welslagen van het project. Zo heeft ook op de Noord/Zuidlijn op een bepaald moment een ommezwaai plaatsgevonden van een technische naar een functionele benadering.’